In een periode waarin mijn leven veranderde en mijn gezin zoals het was uit elkaar viel, moest ik wennen aan een nieuwe ruimte die ontstond. Er was ineens meer stilte. En in die stilte ontmoette ik delen van mezelf die me eerder onbekend waren.

Vroeger was ik sterk afgestemd op de ander. Ik voelde veel, pikte op wat er speelde en bewoog mee. Dat gaf een vorm van nabijheid die vertrouwd was: samen voelen, samen dragen, samen alert zijn.

Langzaam maar zeker veranderde dat. Ik merk dat ik minder automatisch meebeweeg. Minder snel inspring. Minder oplos. Minder overneem.

Soms vraag ik me dan af: ben ik minder betrokken geworden? Ben ik afstandelijker? Ik ben niet minder gaan voelen, ik denk dat ik mezelf meer ben gaan meerekenen.

De nabijheid die ik kende, was vaak gebaseerd op het dragen van wat niet alleen van mij was. Op het verliezen van mezelf in de ander. Toen dat wegviel, kwam er rouw. Rauw en onverwacht. Alsof ik ineens geen rol meer te vervullen had. Een rol die me eerder zoveel zingeving gaf.

Wat er nu is ontstaan, is een andere vorm van nabijheid. Er is ruimte om te voelen zonder mee te gaan. Ruimte om aanwezig te zijn zonder te dragen. Ruimte om de ander te laten in zijn of haar eigen proces.

Ik ben meer en meer verbonden, zonder mezelf te verliezen. Die vorm van nabijheid is stiller. Minder zichtbaar misschien. Het voelt meer authentiek.

Ik houd niet minder van mensen. Mijn innerlijke antenne heeft alleen een ander richting gevonden. Niet verder van een ander af, maar dichter bij wat echt van ieder is.