Soms treuzel ik voordat ik naar bed ga. Dan ben ik moe maar om een of andere reden kan ik mezelf dan niet te ruste leggen. Nog even iets opruimen. Nog even op mijn telefoon. Nog even dit, nog even dat. Lange tijd vond ik dat een slechte gewoonte van mezelf. Alsof ik gewoon niet goed kon afsluiten. Maar inmiddels kijk ik daar milder naar.

Soms lig ik in bed en merk ik dat mijn lichaam moe is, maar mijn hoofd en mijn binnenwereld nog niet. Er komen beelden voorbij, stukjes van de dag, dingen die ik nog aan het verwerken ben. En soms voelt het alsof ik al half slaap en ook nog half wakker ben.

Die overgang van de dag naar de nacht vraagt tijd bij mij. Mijn dag is nog aan het landen. Mijn systeem is nog bezig alles een plek te geven.

Het treuzelen zie ik steeds meer als een deel van mij dat de dag nog niet meteen kan loslaten. Dat het fijn vindt om de dag rustig af te bouwen. Dat nog even tijd nodig heeft voordat mijn slaap kan komen. En dat lukt de ene keer beter dan de andere keer. Als ik veel heb meegemaakt; nieuwe danspassen heb geleerd, een intensief gesprek heb gevoerd of een intrigerend boek heb gelezen, kost dat me meer tijd, dan als ik een avondwandeling heb gemaakt. Ik ga daarom inmiddels ook liever in de middag naar de bioscoop want doe ik dat in de avond dan speel ik de rest van de nacht mee in de film.

Onrust in mijn systeem is ook een graadmeter. Het laat me zien hoeveel er nog aan het landen is. Wat er nog te verwerken en te integreren is.

Sinds Ik ben gestopt met vechten tegen het treuzelen voor het slapen gaan, ervaar ik meer ontspanning. Het treuzelen blijkt een zachte manier om mijn dag af te ronden en mijn zenuwstelsel tot rust te brengen.